Van de LP "Hallo wij zijn Theo en Thea", 1986
(c) 1986 Theo en Thea
Er was er een zigeunerkind, zigeunerkind,
ze had geen pa, ze had geen moe, die waren dood.
Ze had geen fiets, ze had geen jas,
ze had geen jas en ook geen vrienden in de klas, ze werd bespuugd.
Ze had alleen een gouden tand, een gouden tand,
die moest er uit, want die was rot, haar leed was groot.
Zo huilde zij de hele dag,
en niemand zei: ach kindje lach,
en niemand zei kom maar bij mij.
Er was er eens een hondepup, een hondepup,
in het asiel, hij was zijn hondemoeder kwijt.
Hij zat alleen in een klein hok, in een klein hok.
Hij kreeg vaak slaag, met slaande stok en weinig brok(jes).
Hij had een schurftvlek op zijn poot, al op zijn poot,
een droge neus, mocht nooit op schoot, hij wilde dood.
Zo huilde hij de hele dag,
en niemand zei: ach hondje lach,
en niemand zei kom maar bij mij, (want ik maak je blij)
bij mij, (samen zij aan zij).
met mij, voor een vrijpartij.
Er was er eens een oude man,
hij had geen huis alleen maar drank.
En ook geen medicijnen.
Hij had de hele dag door pijn,
in zijn buik en in zijn hoofd en in zijn zij zei hij.
Twee arme kinderen, met veel te weinig zakgeld om snoep te kopen.
Toe stort nu geld met bakken vol,
op gironummer 3 2 5 dubbel 1 dubbel 0.
Zo huilen wij de hele dag,
Toe stort nu geld voor een gulle lach.
Zo huilen wij de hele week,
toe stort nu geld voor snoep en cake.
Wij willen snoep en cake, de hele week.
Wij willen snoep en cake, de hele week.
Wij willen snoep en cake.
Wij willen de hele week snoep en cake.